Het is nu 25 mei 2012 05:09

Verhaal: "Voor eeuwig Jack"

Alles over liefde, verliefd zijn en verliefd blijven.

Berichtdoor Neal » 13 jul 2006 00:50

Een kort verhaal voor de lezers hier. Ik hoop dat het bevalt.

Voor eeuwig Jack

David Gray zingt “sail away with me,”* maar het strand blijft leeg en ik sluit de gordijnen om de zee niet meer te hoeven zien. Niet meer zien, maar ik kan de golven nog horen.
’s Nachts komt hij soms naar me toe, in mijn dromen, zijn lichaam verborgen onder de versleten handdoek, zijn glimlach eeuwig. Als de zon opkomt vergeet ik alles, of ik probeer het te vergeten, wandel langs het strand en tuur uit over zee. Maar de waarheid is dat hij niet meer terugkomt, nooit meer, en dat de zee meedogenloos is. Er is zelfs geen graf.
Ik heb die handdoek nog, verborgen onder een stapel oude kleren, in een plastic zak waardoor er niets bij kan komen. Soms open ik de zak en dan kan ik hem nog ruiken, als ik de handdoek dicht tegen mijn gezicht aanhoudt.
De hele zomer ben ik daar alleen. Ik kom niet dichter bij de zee dan absoluut nodig. Ik haat het water nu, haat de geluiden die de golven maken wanneer ze zich op het strand storten, haat de getijden. Maar er is niets wat dat ongedaan kan maken. De zee geeft, de zee neemt. Ik grimas wanneer ik me dit bedenk, leunend op de reling van het kleine, houten bungalowtje, uitkijkend over de baai. De zee geeft, de zee neemt. Maar ik krijg er niets anders voor terug.
Slechts een gebroken hart.

“Laten we gaan,” zei hij, en voor ik kon antwoorden was hij weg, zand wegschoppend met zijn voeten terwijl hij op het water afrende. Ik kon niets anders doen dan hem volgen, tot aan de rand van het water en er voorbij. Hij verdween onder de eerste golf, de tweede, zijn armen en benen spartelend. Ik wist dat ik hem nooit bij zou kunnen houden als hij dat niet zou willen. Maar hij dook op, draaide zich om en lachte. “Kom op, ’t is heerlijk hier!”
Ik kwam naast hem liggen en samen bleven we dobberen op het water. Hij wees naar het strand, de huisjes die daar op een rij stonden. “Ons strand, deze hele zomer.”
“Ik houd van je,” zei ik, en hij kwam dichter naar me toe en kuste me.
“Voor zolang als de zomer duurt en daar voorbij,” fluisterde hij in mijn oor, “zal ik de jouwe zijn.”
Ik schudde mijn hoofd. “Jack, ik ga terug naar waar ik vandaan kom, na deze zomer. Ik weet niet of…”
Maar hij bracht een vinger naar mijn lippen en glimlachte. “Altijd,” zei hij, “voor altijd. We verzinnen wel iets. Kom!” En hij begon te zwemmen, van me af. Ik volgde hem opnieuw, niet wetend of het water op mijn gezicht de zoute zee was, of mijn eigen zoute tranen.

Als ik mijn ogen sluit kan ik hem nog voor me zien: zijn helblauwe ogen, zijn lach, het trekje van zijn been wanneer hij te lang op zijn knieën gezeten had, de speelse bewegingen van zijn handen.
Maar deze beelden beginnen te vervagen, worden vervangen door anderen, donkerder, dieper in mijn gedachten begint zich een beeld te vormen van iets anders, van die dag dat hij niet meer terugkwam, niet meer door het zand rolde als een jonge hond om me daarna beet te pakken en te knuffelen.
Er is één foto van ons, niet bewust genomen. Een foto van een gezin wat een picknick houdt op het strand en waarin wij in de achtergrond staan, slechts vaag, nauwelijks zichtbaar. Maar de foto bestaat en een uitvergroting ligt in een enveloppe op me te wachten op het bureau. Ik heb de enveloppe nooit geopend, bang om iets anders te zien dan wat ik me herinner. Bang om al mijn herinneringen aan hem te verliezen en er niets voor terug te krijgen.

Zijn lippen waren zout, zijn lichaam sterk, de spieren aanspannend terwijl hij me verder de slaapkamer inleidde. Zijn handen trokken mijn broekriem al los, zijn armen om me heen. Zijn gezicht dicht bij het mijne, zijn adem uitblazend in mijn neus, mijn oren. Mijn naakte lichaam dicht tegen zich aandrukkend, zijn handen op mijn rug, billen, mijn lichaam verkennend. Dan op bed, zijn naakte lichaam nu bovenop het mijne, zijn lippen overal op mijn huid, zijn handen op mijn schouders, dan weer mijn schaamhaar strelend. Een nieuwe kus. Een gevoel van eeuwigheid, van nooit meer iets anders kunnen of willen. Zijn handen overal en nergens, zijn adem en zijn geluiden, zijn stem die fluisterde.
Na de seks kon ik niet anders dan tegen hem aankruipen, me zo dicht mogelijk tegen hem aandrukkend, zijn armen strelend, de spieren rollend onder mijn vingers, het zweet wegvegend. Slapen, slapen en wakker worden in een wereld die anders was, mooier misschien, lichter.

De volgende dagen brengen regen, en het besef dat ik binnenkort zal vertrekken. Zonder Jack. Slechts met zijn handdoek en de foto in een enveloppe die ik waarschijnlijk nooit zal durven openen.
Als ik mijn koffer pak vind ik zand in mijn kleren, in mijn rugzak, in mijn boeken. Het is overal, maar ik veeg het niet weg. Ik neem het mee, terug naar huis, een andere herinnering die tastbaar wordt. Zijn handdoek, de foto, het zand; het veranderd allemaal niets. Ik schud mijn hoofd en prop mijn kleren in mijn tas, de plastic zak met de handdoek voorzichtig bovenop leggend.
Jack zou zeggen; “er komt vanzelf een nieuwe ochtend, met nieuwe antwoorden,” maar er zijn geen nieuwe antwoorden, alleen de oneindige regen, het gekmakende gekletter op het dak, de modderpoelen langs het pad achter de huisjes.
De auto staat er nog, onbewogen. Ik gooi de spullen in de kofferbak, sla het metaal weer neer. De klap echoot weg op de duinranden, verdwijnt onder het gebulder van de zee en de regen. Ik draai me om en kijk uit over het strand, het water. Er is niemand meer. Ik ben de laatste die van deze plek weggaat. Ik zal er nooit meer terugkeren.

We waren samen aangekomen, voor het eerst kennismakend op de trappen van het huisje. Hij had zich voorgesteld met een joviale handdruk en ik was direct verliefd. Zijn handen, zijn gezicht. De lach, zijn stem.
Hij was hier om een roman te voltooien, om de laatste hand te leggen aan een werk waar hij drie jaar over gedaan had. “Ik ben heel tevreden,” had hij gezegd, “ik hoop dat mijn uitgever het ook kan waarderen.”
Voor ik het wist was ik verdiept in zijn manuscript en bracht hij me thee, broodjes, avondeten. Lang na zonsondergang legde ik de pagina’s naast me neer en had hem lang aangekeken.
Zijn blik zei meer dan duizend woorden. Ik was zijn eerste lezer, had hij me verteld, de eerste die het hele boek mocht lezen.
“Het is mooi,” had ik gezegd, “ik zou willen dat ik zo’n leven gehad zou hebben.”
Hij had zichzelf verplaatst, was naast me komen zitten en had me een kus op mijn wang gegeven. “Dank je,” had hij slechts gezegd, “dat is een groter compliment dan waar ik op had durven hopen.” En hij had me opnieuw gekust.
“Dit is alles wat ik je kan geven van dat leven,” had hij gezegd toen hij achterover leunde, weg van mij, maar zijn hand op mijn arm, “het mooiste deel ervan.”
Ik had me voorover gebogen en mijn lippen op de zijne gedrukt.

De motor start zonder problemen en voor ik het weet rijd ik op de weg evenwijdig aan het strand. Dit is de laatste keer dat ik iets kan zien van de plek waar we samen gelukkig waren.
“Misschien is geluk niet voor eeuwig”, had Jack geschreven, “misschien is het slechts daar wanneer we er hard genoeg voor gewerkt hebben, wanneer we het verdienen. Maar het is altijd daar wanneer je het niet verwacht. En dat is voldoende om te weten.”
Het manuscript was weggehaald door de politie, net als de rest van zijn spullen, om terug te keren naar zijn ouders. Ik zou een kopie krijgen, hadden ze beloofd, een exemplaar van het boek. Maar niet het originele manuscript.
Ik ben voorbij de bocht, terug in de bossen. Het strand kan ik niet meer zien, de zee kan ik niet meer horen. Maar de stem van jack echoot nog in mijn hoofd, zijn gezicht kan ik nog voor me zien. Ik probeer het beeld van zijn sterke, naakte lichaam te verdringen. Niet nu, niet hier. Later weer.
“Ik houd van je, Jack,” mompel ik, “voor eeuwig. Geluk is niet voor eeuwig, maar jij bent in mijn hart.”
De volgende bocht, een nieuwe herinnering. Het dorp, de winkel waar we samen naartoe gingen om spullen te kopen. Samen koken, samen lachen, ’s avonds thee en koffie op de treden van de kleine veranda, seks in de donkere slaapkamer. Vroeg op in de ochtend, zwemmen, ontbijten, weer zwemmen, seks en douchen, liefde. Lezen, uren lezen in de schaduw van het huis, de duinen. Stoeien op het strand.
Ik heb tranen in mijn ogen als ik het dorp door ben. In mijn spiegels kan ik de huisjes zien, het kleine politiebureau, de kerk.
Opnieuw Jack in mijn gedachten. Altijd, altijd.

Zijn handen zag ik nog één keer, heel even, boven een golf uit. Toen was hij verdwenen.
Ik zwom zo hard ik kon. Maar toen ik kwam op de plaats waar ik dacht dat hij geweest was, was er niets meer. Geen Jack, geen flippers, niets.
De mensen op het strand schreeuwden iets onverstaanbaars naar me, maar ik wilde ze niet horen, wilde niet terugkeren. “Jack,” had ik geschreeuwd, “Jack! Verdomme, (*?*)!”
Het hielp niet. Hij kwam niet terug.
Uiteindelijk werd ik opgepikt door een boot van de kustwacht, uitgeput, op de rand van onderkoeling ondanks de warmte, mijn ogen dicht met het zout van de zee en mijn eigen tranen, mijn lichaam rillend. Ik kreeg een warme handdoek om mijn schouders, een arm van iemand daar weer overheen. Maar ik zag niemand, alleen het zwarte water van de zee, de schuimkoppen op de golven. Jack kwam niet terug.

De snelweg nu, meer ruimte, meer mensen. Ik wil alleen zijn, alleen met mijn gedachten.
De auto meerdert vaart wanneer mijn voet het gaspedaal verder intrapt. Ik schakel door. Normaal heb ik een hekel aan schakelen, maar nu is het iets wat geluk brengt, wat me rust geeft. De controle over deze auto, over de pedalen, over mijn snelheid. Harder, denk ik, je mag nog harder.
Ik raas drie andere auto’s voorbij, zie in een flits de profielen van de bestuurders. Dan gooi ik de auto weer naar rechts, de weg af, een parkeerplaats op achter een benzinestation. Ik stap uit, laat het portier openhangen en geef over in het gras. Er komt nauwelijks iets. Ik heb de afgelopen dagen bijna niet gegeten, te moe van verdriet om daar moeite voor te doen.
Bij het benzinestation koop ik een pak beschuit, een fles water, sigaretten. Zodra ik buiten ben gooi ik het pakje weer weg; ik rook niet. Nooit gedaan ook. Dit is geen goed moment om een verslaving te beginnen.
Opnieuw in de auto, opnieuw op de weg. Nog drie uur te gaan voor ik terug ben in de stad.
“Misschien,” had Jack voorzichtig gezegd, “kunnen we samen een plek zoeken om te wonen, als je me na de zomer nog niet zat bent.”
Ik had alleen maar geknikt en hem gekust, het bed opgeduwd en de liefde met hem bedreven, opnieuw. “Kom naar mij toe,” had ik gefluisterd, “kom bij mij logeren, dan vinden we wel een plek.”
Ik glimlach als ik terugdenk aan de blik in zijn ogen, de glinstering. Zijn moment van geluk, had hij later gezegd, was het moment geweest waarop ik de veranda opgelopen was met niets anders dan een handdoek om, de vroege ochtendlucht kippenvel op mijn huid veroorzakend. “De schoonheid van je hele wezen,” had hij gemompeld, “gevangen in dat moment.”
Jack, Jack. Voor eeuwig Jack.
Ik stuur de auto de afrit op. Ik ben bijna thuis.


*Van het album White Ladder, Iht Records en Warner Music Ltd., 1998.
Laatst bijgewerkt door Neal op 13 jul 2006 12:19, in totaal 2 keer bewerkt
Neal
Wegwijs
Wegwijs
 
Berichten: 199
Geregistreerd: 30 aug 2005 21:11

Berichtdoor bartjebarneveld » 13 jul 2006 08:52

Aangrijpend, mooi en emotioneel! Schitterend verhaal dit! :oops: Heb stiekem zitten zwijmelen.
Avatar gebruiker
bartjebarneveld
Expert
Expert
 
Berichten: 649
Geregistreerd: 04 dec 2005 13:35

Berichtdoor Bink » 13 jul 2006 21:50

Heel aandoenlijk verhaal. Die flashbacks werken uitstekend. Stilaan krijg je inzicht in de gemoedstoestand van de ik-figuur. Bijzonder goed opgebouwd.
Avatar gebruiker
Bink
Post Lord
Post Lord
 
Berichten: 3809
Geregistreerd: 14 okt 2004 22:23

Berichtdoor Mr.X » 04 sep 2006 20:06

der mogen er wel meer komen! ik vind dit een van de beste verhalen hiersow
Avatar gebruiker
Mr.X
Wegwijs
Wegwijs
 
Berichten: 249
Geregistreerd: 21 jul 2005 02:01
Woonplaats: 4e etage

Berichtdoor Neal » 14 sep 2006 21:34

Mr.X schreef:der mogen er wel meer komen! ik vind dit een van de beste verhalen hiersow


In reactie op bovenstaande quote: een "verhaal" van Zodan en muziek van Lucie Silvas deden de rest. 't Heeft (nog) geen titel.

---------

De muggen vinden één voor één hun weg naar binnen, de kamer in waar we slapen. Waar we zouden moeten slapen, op dit tijdstip. Maar ik ben nog wakker, zittend in de stoel naast het raam, open, het nachtlampje achter me nog altijd aan.
Ik hoor het gezoem bij mijn oor, soms, maar reageer er niet op. Het heeft geen zin.
De wekker verspringt van 2.59 uur naar 3.00 uur. Mijn ogen glijden weer naar de straat, onder me. Het boek dat open op mijn schoot ligt heb ik al uren geen blik waardig meer gegund, maar ik durf het niet weg te leggen, bang dat er dan, als ik het zou sluiten, iets verloren zou gaan, of, nog erger misschien, er geen weg terug meer zou zijn.
Het geluid van auto’s is hier altijd hoorbaar, maar ik ben er zo aan gewend geraakt dat ik het niet meer opmerk wanneer er eentje langskomt. Maar het geluid wat ik nu hoor ken ik uit duizenden: zijn auto.
Ik blijf zitten, sta niet op. Ik hoor hoe er een deur dichtslaat, een laatste groet (ongetwijfeld door een geopend raampje) wordt uitgewisseld. Ik kan de voordeur horen, eerst de sleutel in het slot, dan het korte gekraak als het scharnier protesteert en zich vervolgens toch laat meedraaien, De klik van het slot als de deur weer dichtvalt en dan het omdraaien van de knippen. Laat die maar open, denk ik nog, maar de gedachte erna vervliegt al wanneer ik voetstappen op de trap hoor. Een zweem van alcohol en dan zijn gezicht; “slaap je nog niet?”
Wat kan ik antwoorden? Het boek in mijn schoot is mijn alibi, mijn dekmantel, mijn redding. Ik zou kunnen zeggen: ‘nee, ik was de tijd vergeten’, en dan schuldbewust het boek omhooghouden en hij zou het direct begrijpen, zou denken dat ik teveel verzonken was in iets waar hij geen aandacht voor heeft, geen interesse in heeft. Maar waarvan hij weet dat het me nooit los kan laten wanneer ik er eenmaal in opga.
Ik doe het niet. Ik sla het boek dicht, het keerpunt, en sta op. “Nee, ik slaap nog niet, nee.” En dan zeg ik, “waar kom je vandaan.”
“Zomaar ergens.” Hij draait zich om.
“Zomaar ergens?”
“Ja.”
“Waar was dat ‘zomaar ergens’ dan?”
“Waarom wil je dat weten?”
Hij kijkt me aan.
“Is er een reden waarom ik het niet zou willen weten?”
“Mag ik geen eigen leven leiden?”
“Het is drie uur in de ochtend, ik weet niet waar je bent, je neemt je telefoon niet op. Je wordt door een onbekende afgezet,” al weet ik wel wie het is, maar dat zeg ik niet, “en ik mag niet weten waar je geweest bent?”
“Stel je niet aan.”
Ik wil iets zeggen maar bedenk me en wijs naar een plek achter de deur. Hij knippert met zijn ogen en heeft dan pas door waar hij naar moet kijken en wat hij ziet.
“Dat zijn koffers,” zegt hij.
“Ja, volgepakt. Ik ga, Mark. Dit was de laatste keer.”
“De laatste keer van wat?”
“Dat je er niet bent, dat je me niet verteld wat er gaande is, dat je me bedriegt met een ander.”
“Je hebt je schoenen al aan,” is alles wat hij kan uitbrengen.
“Nog steeds,” antwoord ik droog, loop langs hem heen, pak de koffers op en begin de trap af te dalen.
“Blijf.”
“Er is geen reden om nog te blijven.”
“Waar wil je naartoe?” De onzekerheid klinkt door in zijn stem.
Ik draai me halverwege om en kijk hem strak aan. “Nu weet je hoe het voelt, Mark.”
De voordeur valt achter me in het slot en plotseling voel ik me bevrijd, al weet ik niet van wat. Achter het slaapkamerraam kan ik hem zien, zijn gezicht niet te onderscheiden van de duisternis eromheen.
Ik begin te wandelen, het huis, de straat, de wijk achter me latend. Ik weet waar ik naartoe ga. Het is het enige wat ik graag zou willen geloven. Dat ik weet waar ik naartoe ga. Maar ik weet het niet. Ik weet het niet. Ik blijf lopen, de stad door, in de richting van het station. De eerste trein zal over een paar uur vertrekken. Misschien kom ik ergens uit waar ik nog niet geweest ben, waar niemand me kent en niemand iets om me zal geven. Het is een geruststellende gedachte dat je gewoon kunt verdwijnen, iedereen achter je kunt laten en opnieuw kunt beginnen.
Aan de horizon kan ik een flauwe streep licht zien. Ik besluit dat dat mijn bestemming zal zijn voor vandaag.
Neal
Wegwijs
Wegwijs
 
Berichten: 199
Geregistreerd: 30 aug 2005 21:11






Keer terug naar Gay Forum - Liefde



Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 0 gasten

Persoonlijk Menu

Laatste reacties

Login Form